Bij vrijwel elke verbouwing verdwijnt er een kraan, een toilet of een wastafel. De leiding ernaartoe wordt afgedopt en de wand gaat dicht. Wat overblijft is een leidingstuk vol water dat nooit meer ververst wordt en dat wel in verbinding staat met de rest van uw installatie.
In zo'n stuk leiding groeit ongestoord biofilm. Bij elke drukwisseling komt er een beetje van dat water terug het actieve net in. Dat verklaart waarom sommige besmettingen na elke desinfectie binnen enkele maanden terugkeren: de bron zelf wordt nooit bereikt.
Hoe herkent u een dode leiding?
- Vergelijk oude en nieuwe tekeningen van het gebouw en zoek naar verdwenen tappunten
- Let op leidingen die zichtbaar zijn afgedopt in schachten, kruipruimtes en plafonds
- Voel bij twijfel aan de leiding: een dode tak blijft koud terwijl de rest doorstroomt
- Bekijk de monsterresultaten: telkens hetzelfde tappunt dat afwijkt, wijst op een bron in die strang
- Vraag de langstzittende technische medewerker; die weet vaak meer dan de tekening
De regel van de leidinglengte
Als vuistregel geldt dat een aftakking niet langer mag zijn dan ongeveer vijf keer de inwendige diameter van de leiding. Bij een 15 millimeter leiding is dat dus zo'n 7,5 centimeter. In de praktijk zijn dode takken van een halve meter of langer eerder regel dan uitzondering.
Aanpakken bij de bron
De enige echte oplossing is de leiding verwijderen tot aan de hoofdstrang. Afdoppen bij de aftakking is niet genoeg: het probleem verplaatst zich dan alleen naar het resterende stuk. Bij een uitgebreide verbouwing loont het om de tekeningen direct bij te werken, zodat de volgende beheerder niet opnieuw op zoek moet.
Kan de leiding niet direct worden verwijderd, bijvoorbeeld omdat de wand pas bij een volgende renovatie opengaat, neem het punt dan expliciet op in het beheersplan met een tijdelijke beheersmaatregel. Dan weet iedereen dat er nog een openstaand risico is.




